Vissen zijn een beetje zoals vogels of vliegende insecten: ze hebben ingebouwde mechanismen waarmee ze op en neer en heen en weer kunnen bewegen in hun omgeving. Maar de methoden waarmee vissen dit kunnen doen, liggen dichter bij de principes achter door de mens gemaakte vliegmachines dan bij natuurlijke vliegmethoden. De meeste tropische vissen stijgen en zinken in het water op dezelfde manier als een met helium gevulde ballon of een heteluchtballon stijgt en zinkt in de lucht.

Om te zien hoe dit werkt, moet je de verschillende krachten begrijpen die in de lucht en onder water aan het werk zijn. Hoewel deze omgevingen voor ons heel verschillend lijken, lijken water en lucht in feite erg op elkaar. Beide zijn vloeistoffen, stoffen met massa maar zonder vorm. Op aarde ervaart een object dat is ondergedompeld in een vloeistof (zoals een vis of een persoon) twee grote krachten:

  • De neerwaartse aantrekkingskracht van de zwaartekracht
  • De opwaartse druk van het drijfvermogen

Drijfvermogen wordt veroorzaakt door een verschil in vloeistofdruk op verschillende niveaus in de vloeistof. Deeltjes op de lagere niveaus worden naar beneden gedrukt door het gewicht van alle deeltjes erboven. De deeltjes op de bovenste niveaus hebben minder gewicht erboven. Bijgevolg is er altijd meer druk onder een object dan erboven, dus de vloeistof duwt het object constant omhoog.